Vlieland

Door Jesse Zwart,

in Blogverhalen

Een snoeiharde zuidwesterstorm, windkracht negen beukt tegen de gevel van het huisje dat we hebben gehuurd. De regen komt met bakken uit de hemel en het zicht vanuit het huisje is beperkt tot een meter of twintig. We zijn druk bezig de verwarming, die het vannacht heeft begeven, aan de praat te krijgen, terwijl iemand het laatste restje warme water heeft opgebruikt en vloekend onder een koude douche staat. Er zit een Witkopgors op Shetland zegt één van ons, dus het kan gewoon. Vanmiddag zwakt de wind af naar kracht zeven, dan kunnen we weer naar buiten, roept de ander. Feit is dat we, traditiegetrouw, met een groep bevriende vogelaars tien dagen op Vlieland zitten. Feit is ook dat het, traditiegetrouw, al een paar dagen kloteweer is.

Toch kijk ik elk jaar weer reikhalzend uit naar het moment dat ik met deze gasten op het bovendek van de veerboot sta en de scheepshoorn drie keer klinkt. Alsof Oranje de finale van het WK speelt en de scheidsrechter fluit voor het begin van de wedstrijd. De spanning stijgt tot een hoogtepunt en de verwachtingen zijn enorm. We bespreken de verschillende tactieken die we moeten gebruiken om een zeldzaamheid te vinden en de rest van vogelend Nederland in pure extase te brengen. Nieuwe aanvalsplannen worden gesmeed en beproefte methodes passeren de revue.

Één van de ijzers in ons eeuwige vuur is de Vliehors. Misschien is dit wel de meest afgelegen plek van Nederland. Eigenlijk is het niets meer dan een zandplaat van zo'n 20 vierkante kilometer aan de westkant van het eiland, met enkele kleine duindoornpercelen. Het is daarmee wel de grootste zandplaat van Europa. Doordeweeks is het door onze onvolprezen krijgsmacht in gebruik als militair oefenterrein, maar in de weekenden is de zandplaat toegankelijk voor het gewone volk. Ook dan komt er echter bijna nooit iemand.

Het is zaterdagochtend 07:30, nog steeds aardedonker, en we parkeren onze fietsen bij de laatste strandopgang. Vanaf hier moeten we lopen. Iedereen die hier staat ziet altijd enorm op tegen de Vliehors, maar nog niemand heeft dat ooit toegegeven. Je moet namelijk voor dag en dauw je bed uit, tien kilometer tegen de wind in fietsen, twintig kilometer lopen door ruig terrein zonder mogelijkheden om te schuilen en vervolgens weer tien kilometer terug op de fiets. De wandeltocht voert door helm dat reikt tot heuphoogte en langs dichte duindoorncomplexen waarvan er altijd wel een paar doorns tot in december achterblijven in je schenen. Toch staan we er allemaal weer.

We laten met het passeren van de kazerne en de communicatietoren van de militaire basis, die ooit een keer per ongeluk beschoten is door een F-16, de laatste tekenen van menselijke beschaving achter ons en lopen verder richting het westen. Het begint licht te worden, de contouren van de Vliehors worden langzaam zichtbaar en het geluid van steltlopers in de Waddenzee links en de branding van de Noordzee rechts is het enige dat de stilte doorbreekt.

Inmiddels is de zon opgekomen, hij hangt laag boven het wad en we zijn halverwege de Vliehors. We staan op een duintop en de vogeltrek is in volle gang. Overal klinken de geluiden van langstrekkende vogels en enorme wolken lijsters passeren ons op ooghoogte. Aan de wadkant jaagt een Slechtvalk, voor de opkomende zon langs, een enorme wolk steltlopers op. Een Velduil komt langs de voet van het duin en vliegt gestaag door. We zien hem oversteken richting Texel. Velduilen zijn echte nomaden, ooit werd er één die was geringd in Nederland terug gevangen op 9.000 kilometer afstand, ver in Rusland. Laag over zee vervolgt hij zijn tocht. Een uil boven zee zien vliegen blijft een magisch gezicht.

Terwijl de uil uit het zicht verdwijnt hoor ik een hoog piepend geluidje achter mij. Ik draai me om en zie een Goudhaan uit zee komen vliegen. Waarschijnlijk komt hij uit Scandinavië en heeft hij net 800 kilometer over open zee gevlogen, voordat hij dit stukje land tegenkwam. Het piepkleine bolletje veren ploft neer in het helm. Ik bekijk hem door mijn kijker en zie zijn borst heftig op en neer gaan. Als de borst van een marathonloper die net over de finish is en moet worden ondersteund door anderen om weer op krachten te komen. Deze Goudhaan is echter aangewezen op zichzelf en gaat direct op zoek naar eten. Hij moet opnieuw op krachten komen om daarna verder te kunnen. Na een paar minuten stijgt hij op en verdwijnt uit zicht.

We zitten weer in het huisje. De dag is op zijn einde en de zon gaat langzaam onder. Mijn bovenbenen doen pijn en mijn voeten zijn vermoeid. Ik kijk op mijn telefoon en zie dat ik vandaag in totaal 45 kilometer heb afgelegd. Ik heb net warm gedoucht, de verwarming staat op 21 graden en de geur van erwtensoep komt uit de keuken. Één van mijn vogelmaten staat voor ons te koken en terwijl hij opschept over zijn kookkwaliteiten schreeuwt hij de woonkamer in dat we over tien minuten aan tafel kunnen. 

Buiten kleurt de lucht oranjerood en ik besluit nog even het duin achter ons huisje op te lopen om naar de ondergaande zon te kijken. Met een Duveltje in mijn ene hand en mijn verrekijker in de andere hand beklim ik het duin. Ik ga op een duintop zitten en kijk uit over de Noordzee. Links gaat de zon prachtig onder en rechtdoor ligt Noorwegen. Overal beginnen straks weer vogels aan een extreem zware en vermoeiende nachtelijke tocht op weg naar hun overwinteringsgebieden. Honderden kilometers door weer en wind zonder vaste wal te zien en te kunnen eten. De zon is onder en de temperatuur daalt snel. Ik loop het duin af in de richting van de geur van erwtensoep. Als ik de achterdeur open trek en de warmte van het huisje me tegemoet komt hoor ik een hoog piepend geluid vanuit de bosjes. Ik weet weer waarom ik elk jaar op Vlieland kom.

Terug naar overzicht